James Ensor als Schrijver

Ensor hekelde bij gelegenheid "de onwetende en oppernaïeve kunstenaar" en noemde zichzelf een "écrivain sensible, peintre [...], compositeur des tendres Gammes d'Amour". In 1884 publiceert het tijdschrift L'Art moderne "Trois semaines à l'Académie" met de ondertitel "Monologue à tiroirs" (een theaterstuk met verwikkelingen). Het is de eerst tekst die Ensor publiceert maar de publicatie is niet gesigneerd. Later maakt hij overigens af en toe gebruik van het anagram Senor. Vanaf 1896 publiceert hij in Le coq rouge en in La ligue artistique: libre tribune d'art et de littérature, tijdschriften die in Brussel worden uitgegeven, nieuwsberichten over het mondaine leven in Oostende, kunstkritische stukken (Au musée moderne), satirische opstellen over de laureaat van de Prijs van Rome (Jean Delville), over de broers Joseph, Arthur en Alfred Stevens, de dood van de aloude Vlaamse artistieke traditie, of satirische recensies van tentoonstellingen. Ook in Oostendse dag- en weekbladen publiceert hij gelijkaardige satirische kunstkritische verslagen.

Een aanzienlijk deel van Ensors geschriften bestaat uit toespraken naar aanleiding van belangrijke manifestaties. Zo schrijft hij bijvoorbeeld redevoeringen voor de organisatie van grote tentoonstellingen van zijn werk in de Brusselse Galérie Giroux in 1919, of in 1921 bij Kunst van Heden/l'Art Contemporain in Antwerpen, voor een banket te zijner eer van La Flandre Littéraire in 1923, voor de retrospectieve tentoonstellingen in het Paleis voor Schone Kunsten/Palais des Beaux-Arts in Brussel in 1929 en in het Jeu de Paume in Parijs in 1932, voor de inhuldiging van zijn portretbuste in Oostende in 1930, voor de uitvoering van het ballet La Gamme d'Amour in Luik in 1927 en in Oostende in 1932, voor de overhandiging van het onderscheidingsteken van het Franse Légion d'Honneur in 1933, voor de viering van zijn eretitel "Prince des Peintres" op het Bal des Artistes in 1934 en voor de viering van zijn 75e verjaardag in Oostende. Die redes vallen kennelijk in de smaak, want Ensor wordt veelvuldig gevraagd. Hij schrijft achtereenvolgens lofredes voor Auguste Oleffe (1920), Grégoire Le Roy (1920), Isidoor De Rudder (1920), Jules Destrée (1921), Claude Bernières (1923), Pieter Bruegel (1924), Henri Cassiers (1925), Amedée Lynen (1924), Karel Van de Woestijne (1925), Carol Deutsch (1929) en voor andere tentoonstellingen die Blanche Hertoghe in de loop van de jaren 1930 organiseert in de Oostendse Galerie Studio.

De eerste uitgave van een ruime keuze van Ensors geschriften wordt in 1921 gepubliceerd door Sélection. Les écrits de James Ensor, avec 36 réproductions d'après les dessins originaux du peintre bundelt 24 teksten. La Flandre Littéraire. Revue mensuelle d'art et de littérature dat van 1922 tot 1927 verschijnt publiceert af en toe losse teksten van Ensor, en zorgt in 1926 voor een nieuwe verzameling van recente teksten. De Antwerpse tentoonstellingsvereniging Kunst van Heden/L'Art contemporain publiceert pas in 1934 een derde bundel met recente geschriften. Het plan van André De Ridder, kunstcriticus en econoom, om een uitgave van alle geschriften te maken, wordt pas na de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd. De 63 teksten die in 1921, 1926 en 1934 worden gepubliceerd, worden opnieuw samengebracht in Les écrits de James Ensor, uitgegeven in Brussel door Editions Lumière in 1944. Na Ensors overlijden verschijnen 1 Nederlandstalige uitgave en meerdere Franstalige uitgaven. Geen van deze uitgaven is volledig. In openbare en particuliere verzamelingen worden tientallen handschriften bewaard.

De Franstalige schrijver Patrick Rogiers noemt Ensor in Le Mal du Pays. Autobiographie de la Belgique (Parijs 2003) "le plus grand auteur, créateur et glorieux de langue belge du XXe siècle". Ensor hield van grappige litanieën, van een archaïsche woordenschat en neologismen. Zijn taalgebruik stelt het geduld van niet-francofone lezers af en toe behoorlijk op de proef. Ensor sprak ook Nederlands, de taal van zijn moeder en haar familie. Hij beheerste het Nederlands niet goed maar produceerde toch enkele teksten.

Herwig Todts