Ontwerp voor een kapel gewijd aan de HH. Peter en Paulus

ames Ensor, Belgian, 1860-1949, Project for a Chapel Dedicated to Saints Peter and Paul, 1897, Graphite, with brush and brown wash, and lead white gouache, on cream wove paper, 298 x 242 mm , Gift of Dorothy Braude Edinburg to the Harry B. and Bessie K. Braude Memorial Collection, 1998.699, The Art Institute of Chicago
James Ensor,Project for a Chapel Dedicated to Saints Peter and Paul, 1897, Graphite, with brush and brown wash, and lead white gouache, on cream wove paper, 298 x 242 mm , Gift of Dorothy Braude Edinburg to the Harry B. and Bessie K. Braude Memorial Collection, 1998.699, The Art Institute of Chicago.

Op 14 augustus 1896 vernielt een enorme brand de Sint-Pieterskerk in Oostende. Het dak stort volledig in. Alleen de kerkmuren, de toren, het barokportaal, de vagevuur- en calvariegroep en het praalgraf van koningin Louise Marie (echtgenote van de eerste Belgische koning Leopold I), gerealiseerd door de Belgische beeldhouwer Charles Auguste Fraikin (1817-1893), blijven intact. De Sint-Pieterskerk dateert van begin 18e eeuw wanneer na een brand in 1712 de oude Sint-Pieterskerk heropgebouwd dient te worden worden.

Tussen 1764 en 1866 wordt de calvarie- en vagevuurgroep tegen de noordgevel van de kerk opgebouwd dankzij de Confrerie van de Berg van Barmhartigheid (Confrérie du Mont-de-Piété). Nadat Louise Marie (1812-1850), dochter van de Franse koning Louis-Philippe, in Oostende overlijdt, wordt tussen 1855 en 1859 een praalgraf opgericht. Na een plaatsbezoek van J. Bethune, hoofd van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en de Belgische architect Louis Delacenserie (1838-1909) wordt besloten tot het voorlopig behoud van de kerktoren. In 1912 besluit de gemeenteraad van Oostende de toren definitief te behouden. De toren doet vanaf dan dienst als belfort.

De brand van de Sint-Pieterskerk moet James Ensor erg hebben getroffen. Ensor was tijdens zijn hele leven begaan met het patrimonium van zijn geboortestad. In zijn vele voordrachten en pamfletten laat hij niet na een pleidooi te houden voor het behoud van "landmarks": de duinen, de dokken en het stadspark. In 1894 zet hij zich in voor het behoud van de kerk Onze-Lieve-Vrouw-ter-Duinen in Mariakerke bij Oostende. Het Brussels satirisch tijdschrift Le Diable au Corps publiceert op 19 augustus 1894 een artikel (getekend met het pseudoniem "Jan Bol") tegen de afbraak van de kerk. Het artikel eindigt met de woorden:

Levez-vous, artistes, littérateurs, vous tous qui vous intéressez à la conservation de nos coins pittoresques. Déjà James Ensor à Ostende et Léon Dardenne à Tervueren, ont jeté le cri d'alarme et vous aurez à cœur de vous associer à la protestation qu'ils adressent à qui de droit. (Le Diable au Corps, 2e année, n° 33, 19 août 1894)

In zijn brief van 3 september 1894 aan de Belgische socialistische politicus en schrijver August Vermeylen (1872-1945) schrijft Ensor:

J'ai reçu des protestations importantes pour l'église de Mariakerke, demandez celles de Vandevelde et d'autres amis. (James Ensor, Lettres, Éditions Labor, "Archives du futur", Bruxelles, 1999, p. 771)

Het visserskerkje lag hem na aan het hart. Hij wou er zelfs na zijn dood begraven worden. Ensors graf is nog steeds te bewonderen in het kleine kerkhof rond het Duinenkerkje. Verschillende keren figureerde het kerkje in zijn werk. Zowel in schilderijen, tekeningen en prenten duikt het op. De eerste geschilderde versie (Tricot 379) dateert van 1896, het jaar van de brand van de Sint-Pieterskerk. In 1901 schildert hij een kleinere maar kleurvollere versie (Tricot 400).

In 1897 realiseert hij zijn gehoogde tekening Ontwerp voor een kapel gewijd aan de HH. Petrus en Paulus (Art Institute of Chicago). De volledige tekening (29,8 x 24,2 mm) is uitgevoerd in zwart potlood en gewassen inkt op lichtbruin papier, gehoogd met witte gouache.

De compositie stelt een imaginaire, gotische kerktoren voor met midden op het voorplan een biddende madonna geflankeerd door de patroonheiligen van de stad Oostende. Links zien we de heilige Petrus met een sleutel en een boek in elk hand en rechts de heilige Paulus, met een zwaard in de hand. Op de achtergrond ontwaren we het silhouet van een pseudomiddeleeuwse stad.

 

Jan van Eyck, Heilige Barbara van Nicomedië, 1437, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.

De stijl van het werk is verwant met andere werken uit 1893, waaronder De terechtstelling (Tricot 363) en de tekening getiteld De heilige Maagd met bootjes (La Vierge aux navires). Beide zijn minutieus uitgevoerd in een ‘ouderwetse' stijl. In De terechtstelling zien we, centraal in de compositie, eveneens een pseudogotische toren, gelijkend op die in Projet pour une chapelle à dédier à SS. Pierre et Paul, waarvan de compositie lijkt te zijn geïnspireerd door Heilige Barbara van Nicodemië (KMSKA, Antwerpen), een gehoogde tekening van Jan Van Eyck. Van Eyck plaatst de heilige Barbara, met een boek op haar schoot, op het voorplan met een gotische kerktoren achter haar. Het werk van van Eyck werd gelegateerd aan de stad Antwerpen door de oud-burgemeester en ridder Florent van Ertborn (1784-1840). Het was publiekelijk te bewonderen na de opening op 11 augustus 1890 van de nieuwe gebouwen van het Antwerps museum, het huidige Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. James Ensor moet het nieuwgebouwde museum hebben bezocht kort na de officiële opening.

Aelbert Bouts, Man van Smarten, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen.

Een ander werk uit het KMSKA, De Man van Smarten door Aelbert Bouts (1451/ 1455 - 1549) heeft Ensor geïnspireerd voor zijn Man van Smarten (Tricot 331) uit 1891. (Zie James Ensor Homme de douleur en Icônes de James Ensor in Xavier Tricot, Ensoriana, Pandora, Antwerpen, 1990, pp. 57-61 en pp. 63-67.)

Ook andere werken van Ensor uit de jaren 1890 lijken te zijn geïnspireerd door oude meesters. De kleine stillevens, zoals Stilleven met blauwe kruik (Tricot 316) en Stilleven met blauwe kan (Tricot 317), beide uit 1890, vinden hun oorsprong in de Hollandse ‘banketjes' uit de tweede helft van de 17e eeuw, waarvan Willem Claesz Heda (1594-1680) en Pieter Claesz (c.1597-1660) de bekendste vertegenwoordigers zijn. Zoals eerder geponeerd was James Ensor niet alleen een vernieuwer en een beeldenstormer maar eveneens een kunstenaar die een niet-aflatend respect heeft getoond voor de oude meesters. (Zie webpublicatie Xavier Tricot: James Ensor en de oude meesters.)

 

 

Auteur: 
Xavier Tricot