Wie verschuilt zich achter het masker in De verwondering van het masker Wouse?

In 1889 schildert James Ensor De verwondering van het masker Wouse, een van de topwerken van de Oostendse meester, dat sinds 1926 in het bezit van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen is. (1) Het werk stelt een gemaskerde, opgetutte, oude vrouw in een behekste kamer voor. Ze is ten voeten uit en in profiel afgebeeld. Ze draagt een kaphoedje en over haar schouders heeft ze een stola in kasjmier geslagen. Aan haar neus hangt een snottebel. Haar houding suggereert dat ze net de kamer is binnengestapt. Met haar linkerhand houdt ze een ridicule parasol over haar schouder vast terwijl ze, afgaand op haar open rechterhand, zich lijkt af te vragen wat er gaande is in de behekste ruimte. Aan haar voeten, op de plankenvloer, ligt een verzameling heterocliete voorwerpen uitgestald: een viool, een klarinet, maskers, een lege fles, een waaier, een hoge hoed en lappen stof. Net voor ze de kamer is binnengestapt was er een maskerade aan de gang. De muziek en het lawaai heeft haar wellicht naar de kamer gelokt. Toen ze de kamer betrad, zijn de maskers "levenloos" in elkaar gezakt. Andere maskers, waaronder carnavalmaskers en Japanse en/of Chinese toneelmaskers, staren vanuit alle uithoeken van de kamer ontzet naar het masker Wouse dat met haar onaangekondigde verschijning hun feest abrupt heeft verbroken.

Over de identiteit van de oude vrouw lijkt geen twijfel mogelijk. De titel van het schilderij is duidelijk: de afgebeelde vrouw is het masker Wouse. Maar betreft het een levende vrouw die een masker draagt? Of gaat het eerder om een carnavalmasker dat een eigen leven leidt? Zoals in vele andere werken van Ensor zijn we geconfronteerd met deze Ensoriaanse paradox.

James Ensor heeft zijn hoofdfiguur in het schilderij een specifieke naam toegedicht: Wouse. Maar wie of wat is Wouse? Betreft het de bijnaam van één of andere (Oostendse) volksvrouw? Betreft het een oud-Vlaams woord dat in onbruik is geraakt? Of vond Ensor inspiratie in de plaatsnaam Wouwse, een dorp gelegen in de Nederlandse gemeente Roosendaal, op een steenworp van de Belgische grens? Het dorp is vernoemd naar het landgoed ‘Wouwse Plantage‘, dat ongeveer vier en een halve eeuw bestaat. Op dit landgoed staat een groot landhuis, gebouwd rond 1845 door baron Pierre Josef de Caters, een bankier uit Antwerpen, die het landgoed in 1839 kocht. (2)

In het Engels betekent Wouse: "Significant other; partner in a committed romantic relationship or marriage". (3) In zijn tweedelige roman Joseph Andrews gebruikt de Britse satirische schrijver Henry Fielding (1707 - 1754) het woord ‘wouse' voor de naamgeving de twee romanfiguren Mr. & Mrs. Tow-wouse. (4) Mrs. Tow-wouse wordt in verschillende hoofdstukken van het eerste romandeel afgeschilderd als een harteloze en gewetenloze feeks die haar echtgenoot en haar omgeving terroriseert.

De vraag blijft uiteraard onbeantwoord of James Ensor de roman heeft gelezen en, zo ja, of hij zich heeft laten inspireren door het personage van Fielding. Anderzijds is het best mogelijk dat hij zijn figuur de naam Wouse heeft gegeven eenmaal het schilderij al was afgewerkt.

Men is uiteraard geneigd om in de figuur van Wouse het karikaturale portret van Ensors moeder of grootmoeder te herkennen. In verschillende werken heeft hij moeder, tante of grootmoeder gekarikaturiseerd. (5) We weten eveneens dat het huwelijk van Ensors ouders verre van gelukkig was en dat Ensors moeder een autoritaire vrouw moet zijn geweest. Gefrustreerd en ongelukkig ontvluchtte Ensors vader regelmatig het ouderlijke huis om in een van de Oostendse vissersherbergen troost te zoeken in de drank. Op 14 april 1887 sterft hij op 52-jarige leeftijd nadat hij de dag voordien - op Ensors verjaardag - in dronken toestand in een van de straten van Oostende werd gevonden en door de politie werd thuisgebracht. De reden van zijn overlijden is nooit opgehelderd geweest.

Ensor erfde van zijn vader een rijk gevulde bibliotheek met de meest uiteenlopende uitgaven waarin de kunstenaar regelmatig inspiratie vond. Het is niet ondenkbaar dat er een exemplaar van de roman van Fielding te vinden was. Of werd Ensor misschien door zijn vriend Eugène Demolder (1862 - 1919) attent gemaakt op de satirische roman van Fielding, die net als Demolder schrijver en vrederechter was?

Doorheen zijn carrière werd Ensor vaak beïnvloed door kunstenaars die de grenzen van het beeldend decorum verlegden. Hij werd bijvoorbeeld geprikkeld door Britse (Cruikshank, Rowlandson, Gillray) en Franse (Grandville, Doré, Daumier) politieke satire. (6) De oude gemaskerde vrouw in zijn De verwondering van het masker Wouse kan geïnspireerd zijn op de travestiet in Mr Royer Colas en vieille marquise de l'ancienne cour, een lithografie van Honoré Daumier, gepubliceerd in Le Charivari. (24 januari 1833) (7) Ensors ets De bekoring van Christus lijkt geïnspireerd op Daumiers lithografie Le Tentateur, gepubliceerd in Le Charivari (29 september 1851). (8) Ensor werd niet enkel beïnvloed door carnavalmaskers die men in de winkel van zijn ouders te koop aanbood, maar ook door karikaturale koppen zoals in Daumiers litho Masques de 1831, gepubliceerd in La Caricature (8 maart 1832)

Noten

1. Tricot 302.
2. Zie Wikipedia.
3. Zie Urban Dictionary (Internet).
4. The History of the Adventure of Joseph Andrews, and of his Friend Mr. Abraham Adams, written in Imitation of the Manner of Cervantes, Author of Don Quixote, Londen, A. Millar, 1742.
5. Zoals in Figure revêche uit 1890 (Tricot 312).
6. I.v.m. de invloed van buitenlandse karikaturisten zie de tentoonstellingscatalogus Ensorgrafiek in confrontatie, Museum voor Schone Kunsten, Oostende, 1999-2000; Xavier Tricot, Ensor and English art, in tent. cat. James Ensor. Theatre of Masks, Barbican Art Gallery, London, 1997, pp. 100-117.
7. Pierre Paul Royer-Collard (1763-1845) was professor geschiedenis en wiskunde, alsook advocaat en gedeputeerde. Hij gaf les aan de Sorbonne en werd in 1827 lid van de Académie Française. Tijdens zijn ambt als gedeputeerde tussen 1815 en 1844 stelde hij nieuwe wetten i.v.m. de pers op. Hij was een liberale monarchist en behield zijn functie als gedeputeerde tot 1844.
8. Robert Hoozee, Sabine Bown-Taevernier, J.F. Heijbroek, James Ensor. Tekeningen en prenten, Antwerpen, Mercatorfonds, 1987, p. 214 (ill.). Zie ook de tekeningen van Ensor gemaakt tussen 1880 en 1886 naar Daumiers lithografieën: Tent. Cat. James Ensor. Universum van een fantast, Gemeentemuseum, Den Haag, 2011, pp. 192-193.

Honoré Daumier, Mr. Royer Colas en vieille marquise de l’ancienne cour.

Honoré Daumier, Masques de 1831.

Auteur: 
Xavier Tricot