Mu.ZEE

De werken van James Ensor in de collectie van Mu.ZEE zijn verzameld door het voormalige Museum voor Schone Kunsten van Oostende.

Na de oprichting van het Museum voor Schone Kunsten in 1893 werden tijdens de periode van de eerste conservator Henri Permeke drie schilderijen van Ensor verworven: Zieke schooier die zich wil warmen (1882, olieverf op doek, Tricot 228), Vlees (1881, olieverf op doek, Tricot 208) en De behekste kast (1885-ca. 1888-1890, olieverf op doek, Tricot 279). Ook werd een uitgebreide collectie etsen aangekocht bij James Ensor.

In de volgende jaren werden nog een paar etsen verworven maar tijdens de ambtsperiode van Carlos Loontiens, opvolger van Henri Permeke, werden geen werken van Ensor meer gekocht. De drie schilderijen en de etsen gingen verloren tijdens een bombardement in mei 1940. Na de Tweede Wereldoorlog werd Loontiens uit zijn ambt ontzet en werd Frank Edebau conservator. Zijn ambtstermijn liep van 1946 tot 1980. Zowel door aankopen als giften werd het overgrote deel van de huidige Ensorcollectie door Edebau bijeengebracht. Vermeldenswaardig zijn de olieverfschilderijen Na de storm (1880), De Van Iseghemlaan onder de sneeuw (1881), Portret van Willy Finch (1882), Zelfportret met bloemenhoed (1883), Groot zeezicht bij zonsondergang (1885), De gendarmen (1892) en Gezicht op de Van Iseghemlaan (1906). Schenkingen waren Visserspaar (ca. 1873-1875) van Alice Frey en Christus bedaart de storm (1891), Gezicht op Mariakerke (1901) en Mijn dode moeder (1915) van de vzw Vrienden van James Ensor.

Edebau kocht verder een zeventigtal tekeningen en probeerde een nieuwe collectie Ensorgrafiek samen te stellen. Het topstuk werd het unieke exemplaar van de eerste staat van Mijn portret met doodshoofd (1889) waarop Ensor nog zijn eigen gezicht heeft.

Het laatste woonhuis van James Ensor in de Vlaanderenstraat 27 werd begin de jaren 1950 aangekocht door de vzw Vrienden van James Ensor en later door hen aan de Stad Oostende geschonken. Nu is het een museum dat de leefwereld van James Ensor evoceert. In de marge vermelden we ook de verzameling brieven en andere autografen van Ensor die tijdens Edebau‟s ambtstermijn werden aangekocht.

Op voorstel van conservator Norbert Hostyn die in 1980 Frank Edebau opvolgde, kocht het stadsbestuur nog enkele schilderijen aan: Un bon coin chez moi (1938), Stilleven met stoffen (ca. 1880), De tuin van café Tivoli (1876), Zelfportret met duivel en wapenschild (1934) en De daken van Oostende (1901). Er werden ook nog een aantal ontbrekende etsen en litho‟s aangekocht, als ook een aantal danspakken van het ballet La Gamme d’amour (1923-1924).

Inne Gheeraert