James Ensor: De mystieke dood van een godsgeleerde

Tussen 1886 en 1891 herwerkte James Ensor een tekening die hij rond 1880 had gerealiseerd. De titel van de herwerkte tekening was merkwaardig: Uitzinnige monniken eisen het lichaam van de godsgeleerde Sus-Ovis terug, ondanks de tegenwerking van bisschop Fritoen of Frestoen (1). Het werk kreeg in 1892 van Eugène Demolder zijn meer bekende titel De mystieke dood van een godgeleerde (2).

De tekening is 178 op 157,5 cm groot en is gedateerd 1880 (onderaan rechts). Het donkere centrale gedeelte, hoogst waarschijnlijk uitgevoerd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Brussel, stelt een groep gelovigen en koorkinderen voor, samengeschoold rond een geestelijke die met geheven armen de groep tot actie lijkt op te roepen. Aan de hand van een aantal vellen papier heeft Ensor de compositie van de tekening uitgebreid (3). Ensor voegde er elementen aan toe geïnspireerd op het olieverfschilderij De pest te Doornik in 1092 uit 1882 van de Belgische historieschilder Louis Gallait (Musée des Beaux-Arts, Doornik), meerbepaald een processiestoet, aangevoerd door een bisschop, die een heiligenbeeld een kerk binnendraagt (4).

Ensors compositie stelt eveneens een geestelijke aan het hoofd van een processie voor. Deze komt duidelijk eer betuigen aan het stoffelijk overschot van een „godgeleerde‟, met gekruiste handen op een slaapzak, onder een reuzengroot kruisbeeld met een groteske Christus. Het op een wit laken uitgestrekte lijk van Louis Gallait is bij Ensor vervangen door de overleden godgeleerde.

Centraal op de compositie herkennen we eveneens een Madonna met een stompzinnig uiterlijk die het verwarrende spektakel gadeslaat. Rechts op de compositie doemt een enorme vaandel tussen de nieuwsgierigen op. Eveneens rechts op de tekening lijkt een jong meisje dezelfde beweging uit te voeren als het meisje met de gouden jurk in De Nachtwacht van Rembrandt. Het detail heeft zijn betekenis gezien ook Ensors tekening in een rembrandteske clair-obscur baadt. Dit lichteffect is ook terug te vinden in Ensors tekeningenserie uit de jaren 1885-1886, De aureolen van Christus of de gevoeligheden van het licht. Dankzij het effect van het irreële licht dat de compositie als het ware doet stralen, metamorfoseert de denkbeeldige scène zich in een dromerig en fantastisch spektakel.

De titel van de tekening blijft op het eerste zicht raadselachtig maar verleent aan de compossitie zijn ware betekenis. De naam „Sus-Ovis‟ is samengesteld met de Latijnse woorden „sus‟ (of varken) en „ovis‟ (of schaap). De namen „Fretoen‟ of „Frestoen‟ vinden hun oorsprong in het zevende hoofdstuk van het eerste volume van Don Quichot van Cervantes:

„Dat was geen duivel,‟ zei het nichtje daarop, „maar een tovenaar die „s nachts, de dag nadat u hier was weggegaan, op een wolk kwam aanzetten, van de slang stapte waarop hij zat en de kamer binnenging, en ik weet niet wat zich binnen heeft afgespeeld maar kort daarop vloog hij weg door het dak en liet het huis vol rook achter; en toen wij besloten te gaan kijken wat hij had uitgespookt, zagen wij geen boek of kamer meer; alleen herinneren ik en de huishoudster ons heel goed dat die akelige oude vent toen hij wegging luid zei dat hij uit geheime vijandschap jegens de eigenaar van die boeken en de kamer de vernieling hier in het huis had aangericht, die we nog wel zouden zien. Hij zei ook dat hij de wijze Muñatoen heette.‟
„Frestoen zal hij hebben gezegd,‟ zei Don Quichot.
„Ik weet niet,‟ antwoordde de huishoudster, „of hij Frestoen of Fritoen heette; ik weet alleen dat zijn naam eindigde op toen.‟(5)

Andere eigennamen eindigend op „-on‟ zijn vermeld in de Vita Sancti Popponis abbatis Stabulensis (11de eeuw), hagiografie van de abt Poppo of Poppon van Stavelot, opgesteld door Ornulfus, monnik uit de Sint-Pietersabdij in Gent. (6)

De versie van Ornulfus werd naderhand herwerkt door Everhelmus, volgeling van Poppo(n), abt van Haumont, vervolgens abt van de Sint-Pietersabdij in Gent. Een Franse vertaling verscheen in 1626 in Luik. (7)

Poppo(n) wenste na zijn overlijden te worden begraven in Stavelot. Zijn stoffelijk overschot werd echter na zijn dood op 25 januari 1048 door de monniken overgebracht naar Luik. De bisschop beval dat alle kloosters van Luik het stoffelijk overschot moesten ontvangen „met kruisen, olielampen en wierook‟. Ensors tekening alludeert wellicht op het moment van de „translatie‟ van het stoffelijk overschot van Luik naar Stavelot.

In de Vita sancti Popponis is er eveneens melding van de bisschop Wazo(n) en van zijn broer, de jonge monnik Gozo(n), slachtoffer van verschrikkelijke visioenen en demonische aanvallen, die naderhand geneest dankzij de voorspraak van Poppo(n). Door de namen Poppo(n) te vervangen door „Sus-Ovis‟ en Wazon door „Fritoen of Frestoen‟, heeft Ensor – met zijn typische zin voor mystificatie – een te letterlijke interpretatie van het tafereel willen vermijden en zodoende zijn (literaire) bronnen willen verhullen.

Noteren we eveneens de naam „Crazon‟, eindigend op „-on‟, in de titel De duivels Dzitts en Hihanox geleid door Crazon, rijdend op een woeste kat, begeleiden Christus naar het voorgeborchte van de hel, tekening van Ensor uit 1886 (Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België).

Dankzij zijn referentie aan de Vita sancti Popponis verdoezelt Ensor de referentie aan de scène van Louis Gallait in zijn monumentaal schilderij De pest te Doornik in 1092. Zijn vrienden en schrijvers Eugène Demolder en Maurice des Ombiaux hadden beiden een passie voor Waalse folkloreverhalen en hebben Ensor wellicht attent gemaakt op de rijke middeleeuwse legendes en mysteries. Het is opmerkelijk dat de tekening zich bevond bij Jean Portaels, directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Brussel, wanneer Ensor, eind 1894, zijn eerste tentoonstelling met olieverfschilderijen en tekeningen op touw zet. Deze tentoonstelling vond plaats in de lokalen van de zaak van Eugène Demolders ouders in Brussel. Daarvan getuigt een brief van 5 december 1894:

„Je vous écris surtout pour m‟informer de votre santé. J‟espère qu‟elle est maintenant tout à fait bonne. Dernièrement l‟on me disait que vous étiez un peu souffrant. J‟aime à croire que vous êtes parfaitement rétabli. Vous me ferez plaisir en me permettant d‟exposer ma composition „La mort mystique d‟un théologien‟. Monsieur Demolder organise une exposition de mes œuvres. Il serait heureux si ce dessin pouvait être exposé. Cela dépend de vous, cher monsieur Portaels et j‟espère que vous ferez remettre la composition à l‟envoyé de monsieur Demolder. Je vous prie de bien vouloir m‟indiquer où et quand l‟envoyé pourrait vous la demander. Je compte sur vous, cher monsieur Portaels et vous prie de croire à mes sentiments les plus dévoués.‟ (8)

De vraag blijft onbeantwoord wanneer en in welke omstandigheden Ensor zijn compositie heeft herwerkt. Het eerste document dat ons aantoont dat de compositie was „afgewerkt‟ in 1892 is de fotografische afbeelding in heliogravure door het atelier E. Aubry in Brussel. Deze werd opgenomen in de studie van Eugène Demolder, die in 1892 werd uitgegeven door Paul Lacomblez in Brussel. De tekening is er gedateerd „1882‟ in de marge. Emile Verhaeren klasseerde de tekening echter onder het jaar „1880‟ in zijn lijst van titels van werken aan het einde van zijn monografie. (9) Betreffende de tekening schrijft Eugène Demolder het volgende:

„Voyez, par exemple, ce dessin: Mort mystique d‟un théologien, qu‟Ensor, en son amour de titres baroques et excentriques, avait appelé jadis: Moines exaltés réclamant le corps du théologien Sus-Ovis malgré l‟opposition de l‟évêque Friton. Des moines, amaigris par le jeûne, viennent, les bras levés, en leur minable bure, dans la fumée des torches portées par des enfants de chœur, réclamer le corps du théologien qui gît sur un matelas, les mains jointes, comme une statue tombale, au pied d‟un pilier énorme de cathédrale auquel s‟accroche un gigantesque Christ en croix. A côté de leur groupe exalté, aux noirs fiévreux, le cortège de l‟évêché s‟avance, porteur de grands cierges. L‟évêque marche en tête, appuyé sur sa crosse, un évêque court et gras, la figure en boule, l‟air indiciblement pappeux et repu, avec un geste bénisseur qui dénonce un ramollissement comique, et autour duquel s‟empressent les abbés du chapitre. Le corps du théologien, près de qui s‟agenouillent des femmes, rayonne mystérieusement sur les dalles de la cathédrale. Et celle-ci s‟élève formidable, dans un hosannah magnifique de lumière rembranesque, de prêche, de pierreries, de bannières flottantes, d‟architectures emplies de musiques, de ferveur, d‟enthousiasme, - atmosphère d‟une opulente religiosité au milieu de laquelle se dressent trois étranges personnages: au-dessus du théologien un immense Christ qui semble vouloir, arqué sur sa croix, avec son visage de vieux chef germain, descendre dans la foule, les mains sanglantes, pour frapper l‟évêque de ridicule; une Vierge, qui domine le groupe de moines, une Vierge à la dolente figure de mendiante, au cœur percé, et que coiffe une grande couronne lumineuse, pareille, avec son trophée de plumes, à quelque couronne d‟idole indienne; enfin, derrière le chapitre, s‟élève un Saint-François serein, une croix au poing, une auréole sur son front chauve. Cette trinité plane dans le ciel des chapiteaux et des lustres de la cathédrale, n‟ayant pour les discussions monastiques que des regards de colère, de pitié profonde ou de béatitude. L‟opposition des lumières de ce magnifique dessin fait songer à Rembrandt, et la composition, violente, macabre, sardonique, est digne de Goya.‟ (10)

(1) Originele titel in het Frans: Moines exaltés réclamant le corps du théologien Sus-Ovis malgré l‟opposition de l‟évêque Friton ou Friston.

(2) Eugène Demolder gebruikte de titel in zijn monografie over de kunstenaar (James Ensor, Brussel, Paul Lacomblez, 1892).

(3) Voor een uitgebreide studie van de tekening, zie Marcel De Mayer, De mystieke dood van een godgeleerde van James Ensor, in: Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, 1962-1963, pp. 151-158; hernomen in de catalogus van de tentoonstelling Between Street and Mirror: The Drawings of James Ensor, New York, The Drawing Center, 2001, pp. 187-201.

(4) Zie Patrick Florizoone, Negentiende-eeuwse historische thema‟s en onbekende bronnen in het oeuvre van James Ensor, in: Tent. cat. Ensorgrafiek in confrontatie, Oostende, Museum voor Schone Kunsten, 1999-2000, pp. 33-35. Herwig Todts daarentegen herkent in het personage in het centrale gedeelte van de tekening Pieter de Eremiet die de groep aanspoort deel te nemen aan de eerste kruistocht.

(5) Miguel de Cervantes Saavedra, De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, vertaling Barber van de Pol, Amsterdam, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2005, p. 57.

(6) Betreffende het leven van Poppo, zie: Philippe George, Un réformateur lotharingien de choc: l‟abbé Poppon de Stavelot (978-1048), in: Revue Mabillon, vol. 71, 1999, pp. 89-111; Philippe George, Un moine est mort: sa vie commence. Anno 1048 obiit Poppo abbas Stabulensis, in: Le Moyen Age, vol. CVIII, 2002, pp. 497-506; Henri Glaesener, Saint Poppon, abbé de Stavelot-Malmédy, in: Revue bénédictine, vol. 60, 1950, pp. 163-179; Paul Ladewig, Poppo van Sablo und die Klosterreformen unter den ersten Saliern, Berlijn, Puttkamer & Muhlbrecht, 1883.

(7) Nic. Hocht, Abrégé de la vie du bienheureux S. Poppon, abbé de Stavelot, escrite en langue latine par Everhelme, Luik, s.n., 1626.

(8) James Ensor, Lettres, édition établie, présentée et annotée par Xavier Tricot, Brussel, Editions Labor, 1999, pp. 610-611.

(9) Emile Verhaeren, James Ensor, Brussel, G. Van Oest & Cie, 1908, p. 175.

(10) Eugène Demolder, James Ensor, Brussel, Paul Lacomblez, 1892, pp. 17-18.

Auteur: 
Xavier Tricot