Squelette arrêtant masques, een onbekende Ensor

James Ensor, Geraamte dat maskers arresteert, Courtesy of Sotheby's Belgium.

Geraamte dat maskers arresteert

Recent is een onbekend schilderij van James Ensor uit 1891 ontdekt met als titel Squelette arrêtant masques (Geraamte dat maskers arresteert). Het werk is geschilderd in olieverf op doek. Het meet 33 bij 55 cm en is getekend en gedateerd onderaan links : ENSOR / 1891. Het schilderij is vermeld in de lijst van werken gepubliceerd in de monografie van Emile Verhaeren (1908), en ook in de monografie van Grégoire Le Roy (1922). (1) Volgens mij is het werk nooit tentoongesteld. Het bleef ook onvermeld in de brieven van Ensor.

In Geraamte dat maskers arresteert wordt een gemaskerd personage opgevoerd dat aangehouden wordt door twee geraamtes. Het centraal personage draagt een witte jurk met geplisseerd hoofdkapje, wellicht een slaapjapon, en een carnavalmasker met grote neus. De gemaskerde vrouw lijkt zich te verweren tegen een rijkswachter met zwarte berenmust. Achter haar staat een ander geraamte gekleed in rode jas met blauwe epauletten, kraag en knopen. Op zijn blauwe kraag prijkt een rode hartenaas. Het is een militair of een lid van een muziekkapel. Hij lijkt het gemaskerd personage op te vangen of tegen te houden. (2) Het is merkwaardig dat hij slechts een half maskertje draagt, wat bijdraagt aan het macabere aspect van de hele voorstelling. Bij Ensor zien we voornamelijk geraamten en maskers, maar een geraamte dat een masker draagt is ongezien.

Uiterst links zien we een Japans masker uit het Nô-theater. Wellicht gaat het om een masker dat Oni (kwaadaardige geest of godheid) of Hannya (wraaklustige vrouwelijke demon) voorstelt. Onder het Japans masker, links, bevindt zich een carnavalsmasker (witte muts en brilletje) dat we ook terugvinden in andere Ensors, waaronder De geërgerde maskers uit 1883 (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel) [Tricot 247]. Rechts van de gendarme houden zich drie gemaskerde figuren op. De Pierrotfiguur is onmiddellijk herkenbaar. Rechts van hem staat een corpulent personage met een carnavalsmasker. Op zijn buik is een rode schoppenaas geschilderd. Rechtsboven zien we een derde masker waarvan de contouren niet helemaal duidelijk zijn.

Verschillende maskers vinden we terug, links en rechts, in het schilderij Geraamten die vechten om een gehangene uit 1891 (KMSKA, Antwerpen) [Tricot 334]. De gruwelijke scène voltrekt zich in een zolderkamer waar twee verklede geraamten elkaar met ragborstels te lijf gaan. Aanleiding van hun gevecht is het lijk van een gehangene. Om zijn nek hangt een bordje hangt met het opschrift CIVET (‘hazenpeper'). De attitude van de twee geraamten stemt overeen met die van de twee protagonisten op het voorplan van het schilderij van Pieter Bruegel I, De strijd tussen Vasten en Vastenavond (Kunsthistorisches Museum, Wenen) uit 1559. Net zoals de allegorische voorstelling in het werk van Bruegel is ook het schilderij van Ensor meerduidig. Men stelt zich de vraag hoe de man aan zijn einde is gekomen. Door wie is hij opgehangen, of heeft hij zichzelf verhangen? Is de gehangene een cryptisch alter ego van de schilder die ten prooi valt aan de vijandigheden van kunstcritici? In een ander werk uit hetzelfde jaar, Ecce Homo [Tricot 330], herkennen we James Ensor als Christus geflankeerd door de Belgische kunstcritici Édouard Fétis (1812 - 1909) en Max Sulzberger (1830 - 1901), voorgesteld als beulen. In Geraamten die vechten om een gehangene is het duidelijk dat de twee verklede geraamten, kost wat kost, het lijk voor zich opeisen. Een van de hongerige maskers in de deuropening houdt zelfs een mes in de aanslag en staat klaar om mee te genieten van het festijn.

Een scène die het carnaveleske overstijgt

Zoals in Geraamten die vechten om een gehangene is Geraamte dat maskers arresteert een gewelddadige scène die het louter carnaveleske overstijgt. Hoe moeten we deze scène interpreteren? Is het een allegorie? Refereert Ensor aan een gebeuren uit 1891? Op het eerste gezicht gaat het om een scène tijdens het carnavalsfeest waarbij gemaskerd nachtbrakers of amokmakers door een gendarme worden gearresteerd. Stelt Ensor hier misschien zichzelf als gemaskerd personage voor dat door een gendarme en een militair wordt gearresteerd? Of is de gendarme Ensor zelf? Ensor stelt zichzelf voor als geraamte in zijn ets Mijn Portret als geraamte [Taevernier 67] uit 1888 en in het olieverfschilderij Het schilderend geraamte uit 1896/1897 (KMSKA) [Tricot 385]. In twee schilderijtjes uit 1891, Doop der maskers [Tricot 340] en Mascarade [Tricot 341], stelt hij zichzelf voor als gendarme. Doop der maskers is trouwens gebaseerd op een foto waarin Ensor, samen met leden van de Rousseau-familie, zich amuseert tijdens een verkleedpartij. Ensors afkeer van de gevestigde orde en repressie wordt hier in ieder geval onderstreept door de gendarme en de militair als geraamten voor te stellen. Menig ander werk, waaronder De gendarmes (1892) [Tricot 348] of de gehoogde tekening De staking (1888), stelt het brute geweld van ordehandhavers aan de kaak.

In de Almanach de l'Université Libre de Bruxelles van 1891 wordt verslag gedaan van een woelige vergadering van professoren en studenten naar aanleiding van de gewraakte aanstelling van Georges Dwelshauvers (1886-1937) als professor aan de ULB. Zijn doctoraatsproefschrift dat volgde op zijn voortgezette studies in Duitsland werd echter geweigerd door professor Guillaume Tiberghien (1819-1901) die de filosofische faculteit in een sterke conservatieve greep hield en de experimentele psychologie afkeurde. Dit leidde tot de eerste grote studentenopstanden aan de ULB. De politie moest tussenbeide komen en de rector trad af. (3)

Deze passage staat bekend als de ‘affaire Dwelshauvers' en was een van de aanleidingen voor een splitsing binnen de ULB en de oprichting van de Université Nouvelle. Of Ensor in zijn schilderij allusie maakt op het handgemeen tijdens dit incident is uiteraard moeilijk te bevestigen. James Ensor was zeer goed op de hoogte van wat er zich afspeelde in de politieke en culturele middens van Brussel. Tijdens de jaren 1880 - 1890 logeerde hij regelmatig in de hoofdstad en was hij kind aan huis bij dr. Ernest Rousseau, professor en enkele jaren rector van de ULB. Hij had tijdens deze jaren eveneens sympathie voor de toen gangbare anarchistische en socialistische ideeën. In 1890 etst hij het portret van professor Hector Denis (1842 - 1913) [Taevernier 82], die, van 1892 tot 1894, rector van de ULB was. In 1892 schildert Ensor De slechte dokters [Tricot 346], het satirisch, of liever sarcastisch, tafereel met enkele professoren van de ULB als protagonisten. Hetzelfde jaar schildert hij Mijnheer en mevrouw Rousseau in gesprek met Sophie Yoteko [Tricot 355], waarin de in 1868 in Kiev geboren Sofia Ioteyko, komisch wordt afgebeeld in het gezelschap van Dr. Ernest Rousseau en Mariette Rousseau-Hannon. (4) Sofia Ioteyko en Georges Dwelshauvers worden trouwens beiden genoemd in de Almanach de l'Université Libre de Bruxelles van het jaar 1891.

Pantomime, circus en poppenspel

Zoals in Geraamten die vechten om een gehangene, is in Geraamte dat maskers arresteert eveneens de invloed van de pantomime, het circus en het poppenspel (Guignol) merkbaar. Toeval of niet, Adrien Antoine Reper, beter bekend als Toone I, stichter van het bekende Brusselse poppenspeltoneel, sterft tijdens de maand juli in 1891 op 92-jarige leeftijd. Het is aannemelijk dat Ensor diens toneelzaal heeft bezocht. Wordt Toone voorgesteld als de gehangene in Geraamten die vechten om een gehangene? Zijn twee van zijn marionetten in strijd om zijn lijk? Brussel was gekend voor zijn kleine toneelzalen waar groteske kluchten werden opgevoerd en poppenspel werd gespeeld. De hartenaas op de kraag van de militair in rode jas en de schoppenaas op de ronde buik van het gemaskerd personage rechts duiden in die richting. Ensor was zelf een liefhebber van volkstoneel. In het speciaal nummer van het Parijse tijdschrift La Plume (1899) beschrijft de Belgische kunstcriticus Jules Du Jardin zijn bezoek aan een volkstheater als volgt:

‘L'Autre soir, nous le [Ensor] rencontrions dans un petit théâtre bruxellois. Sur la scène, des clowns quelconques se livraient à des ébats écœurants : « Que c'est bête ! » dit un tiers qui, sur ces entrefaites, nous avait rejoints, croyant vraiment que le peintre devait être navré du spectacle de pareille stupidité : « Pas du tout, répondit Ensor : je trouve cela, quant à moi, très drôle !' (5)

Een ander werk waarin Ensor zonder twijfel alludeert op de pantomime is De wanhoop van Pierrot [Tricot 357], waarin de zoon van Ernest Rousseau de rol speelt van Pierrot. In dit werk alludeert Ensor misschien op de pantomime Pierrot macabre (1886) van zijn vriend, schilder en dichter Théo Hannon (1851-1916), broer van mevrouw Mariette Rousseau.

Zoals bij verschillende werken lijkt het erop dat Ensor rond de jaren 1890 plezier vond in het uitbeelden van cryptische allegorieën, waarvan de betekenis meerduidig is. (6)

Voetnoten

1. Émile Verhaeren, James Ensor, G. Van Oest, Brussel, 1908, p. 117; Grégoire Le Roy, James Ensor, G. Van Oest, Brussel & Parijs, 1922, p. 183.
2. Rode jassen werden vooral door Britse militairen gedragen, maar ook door muzikanten in Belgische fanfares en bepaalde circusfiguren.
3. ‘On se rappelle les faits: à la séance de rentrée, dans la salle gothique de l'hôtel-de-ville, la grande majorité du corps universitaire appliqua la loi de Lynch à M. Philippson. Il n'avait pas permis à Dwelshauvers de se défendre: on l'empêcha à son tour de parler. Ses paroles furent couvertes par les sifflets et les clameurs: « Vive le libre examen! Vive le corps professoral! A bas le recteur! » Et mal¬gré l'intervention de tous les appariteurs et de plusieurs ar¬gousins en bourgeois, ce chahut, peu académique, mais mérité, ne semblait pas près de cesser. M. Buls, qui pré¬sidait l'assemblée, s'obstina à ne pas vouloir lever la séance, et commit l'inqualifiable gaffe que l'on sait: oubliant qu'il était là, non comme bourgmestre, mais comme président du conseil d'administration de l'Université, il fit s'avancer contre les étudiants douze agents en uniforme précédés du commissaire de police. Il fallait que le recteur se sentît bien indigne et bien impopulaire, pour embrigader des sergots derrière une porte, et se faire défendre par eux contre ses propres étudiants. D 'ailleurs, baillonner la fière jeunesse universitaire de la même façon qu'on réprime les rixes nocturnes des bouges, empoigner et bousculer des basochiens qui sont persuadés de défendre une cause juste, ce n'était pas le moyen d'étouffer les protestations. Ce fut soudain une explosion d'indignation et de révolte. Et tandis que des professeurs se retirent en protestant vivement, la salle devient houleuse comme la
« poluphloisbos thalasse » d'Homère, de véritables bagarres se produisent, des
banquettes sont renversées, le bureau est envahi... et M, Buls lève enfin la séance.'
Almanach de l'Université Libre de Bruxelles, 1891, pp. 9-10.
4. Wat de betekenis betreft van de naam "Sophie Yoteko" (ook Ioteiko gespeld), zie: Patrick Florizoone in de tentoonstellingscatalogus James Ensor, Frankfurt, Schirn Kunsthalle, 2005-2006, p. 222. Zie eveneens brief van 19 november 1890 van August Vermeylen aan Emmanuel De Bom [zie website CTB, AMVC Letterenhuis: VNS.WVNS.1890. 1119B106].
Het is mogelijk dat Ensor eveneens refereert aan het komisch Kaguramasker Yottoko (of Hyottoko) dat gebruikt werd in het Japanse Dengaku danstheater. Dit karaktertype fungeert er als nar.
Misschien refereert de naam Sophie in de titel eveneens aan de officiële voornaam van Mariette Rousseau: Marie-Sophie. In dit geval zou Sophie Yoteko een alter ego kunnen zijn van Mariette Rousseau en bekijkt het jonge meisje rechts haar evenbeeld als oude vrouw. Daarenboven herkennen we in het gezicht van de oude vrouw, links in de compositie, trekken van de schilder zelf, wat de interpretatie uiteraard nog complexer maakt.
5. James Ensor. Peintre & graveur, Librairie de la Société anonyme "La Plume", Parijs, 1899, p. 51.
6. Zie de studie over Gilles en Sauvage.

Auteur: 
Xavier Tricot